(?)

 (?)

SEMANET (Onderzoeksgroep: Semiotische Analyse door Nederlandse Theologen)

Ter inleiding (G. Lukken)

De ontstaansgeschiedenis van SEMANET is beschreven in G. Lukken, P. de Maat, M. Rijkhoff en N. Tromp, Een methode van semiotische analyse, in Bijdragen. Tijdschrift voor filosofie en theologie 44 (1983) 118-165. In 1976 ontstond aan de Theologische Faculteit Tilburg (TFT) een samenwerkingsverband tussen exegese, catechese en liturgie. Beoefenaars van deze disciplines besloten zich nader te bekwamen in de methode van structurele tekstanalyse. De groep noemde zich STREX, hetgeen een afkorting was voor ‘structurele exegese’. Eigenlijk was die aanduiding te beperkt, zowel wat betreft de samenstelling van de groep als met betrekking tot het object van onderzoek. Behalve twee exegeten behoorden tot de groep ook twee liturgisten en een catecheet. Verder wilden zij zich niet alleen met Bijbelteksten bezig houden, maar ook andere theologische teksten in het onderzoek betrekken. Dit leidde ertoe dat de naam STREX werd gewijzigd in SEMANET: afkorting van SEMiotische Analyse door NEderlandse Theologen. De groep zocht naar een operationele, interdisciplinair toepasbare methode van analyse: een bruikbaar instrumentarium. Het woord ‘methode’ betekent etymologisch: de weg (hodos) waarlangs (meta). Zij zocht naar een wetenschappelijk verantwoorde ‘weg waarlangs’ onderzoek van theologische uitdrukkingsvormen mogelijk is. Daarbij koos zij voor de structuralistische methode, omdat die naar haar inzicht een belangrijke aanvulling zou kunnen zijn op de binnen de theologie gehanteerde methoden. Gaandeweg stootte zij daarbij op de semiotiek van Algirdas Julien Greimas (1917-1992) die nieuwe wegen bleek te bewandelen van analyse van de taal en van concrete tekstgehelen. In Frankrijk waren al eerder rond 1970 Bijbelexegeten in contact gekomen met Greimas, hetgeen had geleid tot het ontstaan van de ‘Groupe de Lyon’ die zich in 1975 ontwikkelde tot het Centre pour l’analyse du discours religieux (CADIR), verbonden met het Institut Catholique van Lyon. In 1979 organiseerde SEMANET in Tilburg een werkweek samen met CADIR. In de loop van de jaren werden een zestal gezamenlijke werkweken georganiseerd van CADIR en SEMANET, afwisselend in Frankrijk en aan de TFT in Tilburg. Aan de eerste werkweek namen ook prof. Dr. W. de Pater uit Leuven en dr. M. Adriaens uit Antwerpen deel, in de werkweek in 1980 in Annecy voegden zich bij ons Bronius Kuzmickas uit Vilnjoes (Litauen) en Daniel Patte uit Nashville (Tenessee, USA) en in de werkweek in 1989 aan de Theologische Faculteit Tilburg Marc Searle (assistant professor liturgiewetenschap van Notre Dame, USA), Paul Sye In Sek (hoogleraar exegese in Seoul (Korea) en mevrouw Ro Hyun Hi (hoogleraar Franse literatuur in Seoul (Korea). In het studiejaar 1988-1989 kwam Marc Searle naar Tilburg om zich te bekwamen in de semiotiek. Dit leidde tot de gezamenlijke publicatie van Gerard Lukken en Marc Searle Semiotics and church architecture. Applying the Semiotics of A.J. Greimas and the Paris School to the analysis of church buildings (= Liturgia condenda 1), Kampen 1993. Helaas heeft Marc de publicatie niet meer mogen meemaken. Hij stierf in 1992, op vijftigjarige leeftijd, aan leverkanker. Het was zijn bedoeling de greimassiaanse semiotiek bij theologen in de USA waar men praktisch alleen gericht is op de Peirciaanse semiotiek, te introduceren. In 1987 verleende de TFT aan de nieuw testamenticus Jean Delorme, die de leiding had van CADIR, een eredoctoraat. SEMANET organiseerde vier maal een ‘Greimassiaanse studiedag voor de ‘Greimassianen’ uit Nederland en België, waarvan de resultaten werden gepubliceerd in de bundels Semiotische Analysen en Werktekeningen. Via CADIR ontstonden ook contacten met Greimas zelf. Het samenwerkingsverband van SEMANET bleek heel vruchtbaar en leidde tot nogal wat publicaties, vooral in Nederland, maar ook in Frankrijk (met name in het tijdschrift van CADIR Sémiotique et Bible). Belangrijk was de Nederlandse vertaling van de dictionaire van Greimas waaraan voltallig SEMANET jarenlang werkte en waarin de technische termen van deze dictionaire werden vertaald voor het Nederlandse taalgebied (A.J. Greimas en J. Courtés, Analytisch woordenboek van de semiotiek, deel 1, Tilburg University Press, Tilburg 1987 (onder redactie van K. Joosse en P. de Maat). Toen de oudtestamenticus Nico Tromp in 1980 van de Theologische Faculteit  Tilburg (TFT) naar de Katholieke Theologische Universiteit Utrecht (KThU) verhuisde, werd SEMANET een interuniversitaire onderzoeksgroep. Ook vormde zich de groep YOUNG SEMANET met als leden (dissertatie)studenten. Na het emeritaat van Gerard Lukken in 1994 ging de werkgroep verder als universitaire werkgroep van de KthU (In 2007 geïntegreerd in de Faculteit Katholieke Theologie (FKT) van de Universiteit Tilburg) onder leiding van Jacques Maas, tot zijn pensioen in 2011.

Zoals meer fundamenteel onderzoek had de greimassiaanse semiotiek in Nederland het niet gemakkelijk en moest zij zich nog al eens verdedigen. Vergelijk G. Lukken, De receptie van de Greimassiaanse semiotiek bij theologen. Weerstanden en misverstanden, in P. Beentjes, J. Maas and T. Wever (red.), `Gelukkig de mens'. Opstellen over Psalmen, exegese en semiotiek, Kampen 1991, 121-135. Inderdaad is de terminologie van de Franse semiotiek weerbarstig, maar dit is een eigenschap van menige fundamentele wetenschap. Bovendien is in het verleden zowel door CADIR als SEMANET aangetoond dat het heel goed mogelijk is het begrippenapparaat te vereenvoudigen. In Frankrijk gaat menige Bijbelgroep semiotisch te werk en J. Maas en N. Tromp publiceerden bijvoorbeeld het zeer toegankelijke boek Voorlezen uit Rembrandt. Visies op bijbelse verbeeldingen, Tielt 1999. Wat het structurele element betreft: de Franse semiotiek is, zonder de structurele fase af te schrijven, volop bezig haar metataal verder te ontwikkelen; zij heeft oog voor de zintuiglijkheid van alle discoursen als uitingen van een ‘sujet incarné’ en is teruggekeerd naar haar fenomenologische oorsprong. Zij heeft vooral voet aan de grond in Lyon (CADIR), Limoges (o.a. Jacques Fontanille), Parijs, Genève en Canada, maar helaas is zij gaandeweg uit ons land aan het verdwijnen.

Ter nadere situering van de Greimassiaande semiotiek is het belangrijk op te merken dat binnen de semiotiek in hoofdzaak twee richtingen bestaan: de zogenoemde Peiciaanse semiotiek die teruggaat op Charles Sanders Peirce (1839-1914) en de zogenoemde Saussuriaanse, Greimassiaanse of Franse semiotiek die haar oosprong vindt bij de Ferdinand De Saussure (1857-1913). Peirce en De Saussure leefden in praktisch dezelfde tijd, maar hebben elkaar nooit ontmoet en kenden waarschijnlijk elkaar ook niet. Beiden staan aan het begin van twee richtingen in de semiotiek die aanzienlijk van elkaar verschillen. Dit verschil hangt samen met het feit dat Peirce vooral filosoof en logicus was en De Saussure linguist: hij was de grondlegger van de algemene taalwetenschap. De semiotiek van Peirce heeft zich vooral verspreid in de Engelstalige landen en Duitsland, terwijl men de Saussuriaanse semiotiek met name vindt in de Romaanse landen en in landen als Finland en Litauen. Dit hangt mede samen met het feit dat deze semiotiek – via de Deen L. Hjelmslev – verder ontwikkeld is door de Litauer A.J. Greimas die zich als spoedig in Parijs vestigde en om zich heen de zogenoemde Parijse school vormde. In Nederland vindt men zowel de peirciaanse als de saussuriaanse richting van de semiotiek. Het onderscheid tussn beide semiotieken heeft ook in bredere zin diepe sporen getrokken. Zo kan men in de taalfilosofie twee verschillende ontwikkelingslijnen onderscheiden: de Franse lijn die begonnen is bij De Saussure en die via het sytructuralisme uitkomt bij filosofen als Derrida Foucauld en Lyotard, en daarnaast de Angelsaksische lijn die loopt van Peirce via Wittgenstein, Austin en Searle naar Habermas (vergelijk F. van Peperstraten, Samenleving ter discussie. Een inleiding in de sociale filosofie, Bussum 19953, 340).

In tegenstelling tot de peirciaanse semiotiek gaat de Saussuriaanse semiotiek niet uit van een typologie van de afzonderlijke tekens. Zij richt zich op integrale discoursen als zodanig en tracht hun betekenisvormgeving te ontdekken. En daarbij gaat het om allerlei discoursen: niet alleen teksten, maar ook foto’s, schilderijen, stripverhalen, beelden, theater, dans, architectuur, muziek, rituelen enzovoort. Volgens Greimas is ‘betekenis’ (Fr. ‘sens’) alleen bereikbaar via de discoursen die mensen creëren. Deze discoursen bemiddelen ‘betekenis’ via het proces van betekenisvormgeving dat erin schuilgaat.

De kracht van de Franse semiotiek is dat zij door haar overkoepelende metataal die op velerlei, ook niet verbale en zintuiglijk zeer gecompliceerde objecten toepasbaar is, een interdisciplinair gesprek en interdisciplinaire dialoog bevordert. Zij maakt het mogelijk op adequatere wijze behalve rituelen en architectuur ook bijvoorbeeld gezangen, inclusief de muziek, te analyseren op betekenisgeving, evenals bijvoorbeeld de scenario’s van opera’s en de betekenisvormgeving van de film. Vanaf het begin had SEMANET dan ook regelmatig contacten met de Letterenfaculteit van Radbouduniversiteit in Nijmegen, en wel met de afdeling ‘Film en Opvoeringskunsten’ waaraan twee bij Greimas gepromoveerden verbonden waren (Eric de Kuyper en Emile Poppe). Ook waren er contacten met de Letterenfaculteit van de Universiteit van Amsterdam: met Sorin Alexandrescu die daar de leerstoel semiotiek bezette. Terecht merkt Eric Laeven in zijn dissertatie, Tijd als operadramaturg. Een semiotisch-temporeel onderzoek naar het ensceneringspotentieel in operapartituren, Amsterdam 2006 (p.6-7) op dat de semiotiek van Peirce  ‘vergeleken met Greimas’ semiotiek tot nu toe weinig geoperationaliseerd is. (…) De Peirciaanse analyse verschaft een tekentypologie en wordt vaak toegepast met het oogmerk om eerder de wijze van betekenisvorming door middel van interpretanten te beschrijven dan om verschillende betekenisniveaus in een systeem aan te geven. (…) De stabiliserende beschrijvingswijze van de Parijse semiotiek maakt het mogelijk systematisch en expliciet betrekkingen vast te leggen (…). De reden waarom hier de Parijse school en niet Peirce is gevolgd, komt voort uit het feit dat Greimas’ semiotiek in zijn uitwerking naar het discours meer gedifferentieerd is en een verfijnder begrippenapparaat oplevert’.  De interdisciplinaire samenwerking en het feit dat de greimassiaanse semiotiek vooral vruchtbaar is wanneer men nauw samenwerkt (samen neemt men gemakkelijker de verschillende betekenislagen en spanningsvelden in discoursen waar) leidt er als vanzelf toe dat men komt tot gezamenlijke publikaties zoals ook in bijgaande bibliografie meerdere keren naar voren komt.